Reconstructie van de rol van A. vóór 2006 – Deel 2: De dingen die ik niet zag
In het eerste deel van deze reconstructie onderzocht ik de vraag welke rol A. speelde vóór haar huwelijk met P. in 2006. Daarbij kwam ik tot de conclusie dat zij al vóór dat huwelijk deel uitmaakte van dezelfde sociale omgeving als mijn gezin. In dit tweede deel wil ik stilstaan bij iets dat moeilijker te documenteren is: intuïtie, onderbuikgevoelens, losse herinneringen en gebeurtenissen die pas jaren later betekenis hebben gekregen.
Ik besef dat intuïtie geen bewijs is. Toch beginnen veel reconstructies niet met een document, maar met een gevoel dat er iets niet klopt. Pas veel later ga je op zoek naar verklaringen.
Wanneer ik terugkijk op de periode tussen 1999 en 2006, realiseer ik mij steeds vaker dat ik destijds in een andere werkelijkheid leefde dan P.
Mijn wereld draaide om onze kinderen. S. en L. waren nog jong. Mijn dagen bestonden uit school, voetbaltrainingen, wedstrijden op zaterdag, balletlessen, schilderclubjes, zwemlessen, speelafspraken, kinderfeestjes en oudergesprekken. Zoals zoveel moeders was ik de taximama van het gezin. Ik bracht kinderen weg, haalde ze op, verzorgde hun kleding, regelde hun activiteiten en probeerde het gezinsleven draaiende te houden. Ik was een betrokken moeder.
Terwijl ik daarmee bezig was, lijkt P. achteraf bezien een heel ander leven te hebben geleid.
Rond 2000 verbleef hij enige tijd in de Armzaliastraat. Volgens zijn eigen uitleg gebruikte hij die periode om na te denken over zijn relaties met Pe. en C. Dat is de officiële verklaring. Toch vormt juist deze periode voor mij een belangrijk vraagteken. Mijn huwelijk verkeerde in zwaar weer. Er waren andere vrouwen in beeld. Tegelijkertijd bevonden A. en haar gezin zich al binnen dezelfde school- en voetbalomgeving als de onze.
Wat hierbij belangrijk is, is dat ik A. zelf niet kende. Tot op vandaag heeft zij zich nooit aan mij voorgesteld, zelfs niet toen ik de kinderen eens bracht voor een omgangsweekend. Dat vond plaats in haar huis en ze kwam niet eens naar buiten.
Dat is misschien wel het meest opmerkelijke detail van deze hele reconstructie.
De zoon van A. zat bij mijn zoon S. in de klas en op voetbal. Ook de zoon van Al. zat in dezelfde omgeving. Onze kinderen kenden elkaar. De gezinnen bewogen zich in dezelfde sociale kring. Toch kende ik vooral Al. en niet A.
Daardoor ben ik mij later gaan afvragen of P. A. misschien al kende via school, voetbal of andere contacten waar ik zelf geen deel van uitmaakte.
Ik heb daarvoor geen bewijs gevonden.
Maar het is wel een vraag die steeds terugkeert wanneer ik de gebeurtenissen op een rij zet.
Na onze verhuizing naar het Kanalenplantsoen leek ons huwelijk zich tijdelijk te herstellen. Toch bleef het gevoel bestaan dat ik niet het hele verhaal kende. Ik kon dat toen niet benoemen. Er waren geen concrete feiten. Geen documenten. Geen bekentenissen. Maar de lucht was dik.
Achteraf herinner ik mij verschillende gebeurtenissen die destijds onbelangrijk leken, maar die later een andere betekenis kregen.
Zo kwamen Al. en haar echtgenoot op een avond P. ophalen om te helpen bij de organisatie van een voetbalkamp op een nabijgelegen camping. Ik bleef thuis bij de kinderen. Destijds dacht ik daar weinig van. Tegenwoordig vraag ik mij af wie daar verder aanwezig waren. Omdat Al. bevriend was met A. en alle betrokken gezinnen deel uitmaakten van dezelfde voetbalwereld, vraag ik mij af welke contacten zich daar hebben ontwikkeld.
Ook herinner ik mij een bezoek aan de tuin van Al., waar ik samen met mijn beide kinderen was uitgenodigd. Wat mij vooral is bijgebleven, is dat het bezoek vreemd aanvoelde. Het gesprek kwam nauwelijks op gang. Er ontstond geen gevoel van vriendschap of verbondenheid. Jaren later ben ik mij gaan afvragen waarom ik daar eigenlijk was uitgenodigd.
Misschien betekende het niets.
Misschien betekende het meer dan ik destijds besefte.
Ook de schoolomgeving blijft voor mij een bron van vragen. Op een dag belde de hoofdmeester naar ons huis omdat onze kinderen met griep thuis waren gebleven. Tijdens dat gesprek zei hij: “Je hoort zulke rare dingen.” Die opmerking is mij altijd bijgebleven. Ik wist niet waar hij op doelde. Pas jaren later ben ik mij gaan afvragen welke verhalen er kennelijk over ons gezin rondgingen.
Omdat A. en Al. actief waren binnen dezelfde school- en voetbalomgeving, heb ik mij later afgevraagd of zij daarbij een rol speelden. Bewijs daarvoor heb ik niet gevonden. Het blijft een vraag.
Ook onze boot speelt in mijn herinneringen een bijzondere rol. Toen wij aan het Kanalenplantsoen woonden, verbleef P. daar regelmatig. Destijds zag ik dat als een hobby en een plek om zich terug te trekken. Tegenwoordig vraag ik mij af welke rol die boot werkelijk speelde. Was het alleen een toevluchtsoord? Of was het een uitvalbasis om vrouwen te bezoeken. Vonden daar contacten en ontmoetingen plaats waar ik geen weet van had?
Ik weet het niet.
Maar wanneer ik terugkijk op die jaren, zie ik steeds opnieuw dezelfde plaatsen terugkomen: de Armzaliastraat, het Kanalenplantsoen, de boot, de school, het voetbalveld en het voetbalkamp.
Het zijn allemaal plekken waar levens elkaar kruisten.
Vanaf 2005 verschijnt A. aantoonbaar in mijn archief rond de kinderen. Vervolgens verhuist P. terug naar onze voormalige woonplaats. Op 1 juni 2006 trouwen P. en A.
Voor veel mensen begint het verhaal daar.
Voor mij niet.
Kort daarna vindt de gebeurtenis plaats die mijn leven blijvend heeft veranderd.
Op 14 juli 2006 verhuist mijn zoon S. naar P. en A. Op 14 september 2006 noteerde ik een incident waarbij een voormalig commando mij benaderde in verband met mijn contact met S. Volgens mijn dossier werd mij duidelijk gemaakt dat ik afstand moest nemen van mijn zoon. Op 22 september 2006 deed ik hiervan melding bij de politie.
Vanaf dat moment zie ik op Hyves hoe hij steeds meer onderdeel wordt van hun gezin. Hij gaat op dansles met de zonen van A. en Al. en werd binnengehaald als een trofee. Dansen speelde binnen mijn eigen gezin nooit een rol. Het was geen belangstelling die van mij kwam en ook niet iets waar P. zich eerder mee bezighield. Voor mij voelde het als onderdeel van de leefwereld van A. en haar omgeving.
Ook op andere gebieden zie ik veranderingen. S. wordt ingeschreven bij de huisarts van A. en niet bij de huisarts die ons gezin jarenlang kende. En zo werd ik gebeld door een medewerker van een begrafenisverzekeraar over stopzetten van zijn verzekering. Voor mij voelde het als onderdeel van een groter proces waarin mijn zoon stap voor stap werd opgenomen in een nieuw systeem.
Misschien verklaart dat waarom de verhuizing voor mij veel meer betekende dan alleen een verandering van woonadres. Ik had het gevoel dat niet alleen zijn verblijfplaats veranderde, maar ook zijn gewoonten, zijn contacten en uiteindelijk zijn loyaliteiten.
Wanneer ik tegenwoordig terugkijk op deze periode, probeer ik niet alleen te begrijpen wanneer A. in beeld kwam of welke contacten er mogelijk al vóór 2006 bestonden.
Uiteindelijk probeer ik te begrijpen hoe een gezin met twee kinderen zo heeft kunnen escaleren dat ik mijn zoon ben kwijtgeraakt.
Dat is de vraag die onder al mijn reconstructies ligt.
De grootste pijn zit voor mij niet alleen in wat er in 2006 gebeurde. De grootste pijn zit ook in alles wat daarna niet meer heeft kunnen ontstaan.
Ik mis niet alleen mijn zoon zoals hij toen was. Ik mis ook de volwassen man die hij geworden is. Ik ken zijn leven niet. Ik ken zijn partner niet. Ik ken zijn gezin niet. Ik kan zijn kinderen niet zien opgroeien. Ik mis ook mijn beide kinderen om mij heen, allebei samen. Broertje en zusje werden wreed uit elkaar gerukt. Ze groeiden samen op en ik ben hun moeder. Ik wil ze samen voor mijn ogen zien.
Wat dit voor mij extra moeilijk maakt, is dat ik zelf nooit zo met de grootouders van mijn kinderen ben omgegaan. Toen S. en L. jong waren, vond ik het belangrijk dat zij een band hadden met hun oma’s. Ik stuurde foto’s, hield hen op de hoogte van belangrijke gebeurtenissen en liet de kinderen logeren. Ik zag grootouders als een verrijking van het leven van een kind.
Misschien begrijp ik daarom nog steeds moeilijk waarom het in mijn eigen situatie zo anders is gelopen. Ik heb niet alleen mijn zoon verloren. Ik heb ook de mogelijkheid verloren om oma te zijn. Waar ik had gehoopt aanwezig te zijn bij verjaardagen en gewone familiedagen, sta ik buitenspel. Dat verlies wordt niet kleiner met de jaren. Integendeel. Met iedere nieuwe levensfase wordt zichtbaarder wat er ontbreekt.
Misschien is dat uiteindelijk de reden waarom ik blijf reconstrueren. Omdat ik probeer te begrijpen hoe dit heeft kunnen gebeuren. Hoe een moeder haar zoon kon verliezen terwijl hij nog leefde.
Heb jij ons gekend in deze periode? Beschik je over herinneringen, foto’s, documenten, correspondentie of andere informatie die kan bijdragen aan deze reconstructie?
Dan hoor ik graag van je.
📧 info@geakramer.nl